Een initiatief van samenwerkende begrazingsbedrijven

Betrouwbare kennis over
schapenbegrazing in natuurbeheer

Verzuring & Vermesting

Biogeochemie en levensgemeenschappen

De abiotische factoren verzuring en vermesting hangen met elkaar samen. Zo zorgt de verhoogde atmosferische stikstofdepositie voor een verzurend en vermestend effect op de bodem en in de vegetatie. Met name levensgemeenschappen op droge zandige gronden kampen hierdoor met problemen: bufferende basen en sporenelementen logen uit de bodem en stikstof hoopt zich juist op. Hierdoor treden er veranderingen op in de vegetatie van bijvoorbeeld droge heides: Struikhei slaat meer stikstof op in het blad wat de plant gevoeliger maakt voor massale vraat door Heidehaantje en voor vorstschade. Bovendien zorgt de hogere concentratie voor een verstoorde balans in de verhouding stikstof en fosfaat. Dit heeft weer consequenties voor herbivore insecten, het duurt langer voordat rupsen zich verpoppen, en daarmee voor fauna hoger in de voedselketen. Tegelijkertijd verzuurt de bodem en de strooisellaag met ophoping van potentieel toxische stoffen als ammonium tot gevolg. Dit heeft geleid tot het verdwijnen van karakteristieke soorten als Valkruid in veel heideterreinen.

Herstel buffering

Herstel van de buffercapaciteit van de bodem blijkt daarmee essentieel. Schapenbegrazing kan daarbij een bijdrage leveren. Het is namelijk bekend dat mest een bufferende werking op de bodem heeft. Bovendien zal een deel van de stikstof die opslagen zit in de vegetatie via de urine als ureum uitspoelen naar diepere grondlagen buiten het bereik van plantenwortels en daarmee uit het systeem verdwijnen. Hierdoor komt de stikstof niet meer via afgestorven plantendelen in de strooisellaag en via de bodem weer in de vegetatie terug.

Vaak wordt bij het herstel van sterk vergraste heides nog altijd op grootschalige wijze geplagd. Hiermee worden weliswaar veel stikstof afgevoerd, maar ook het voor heides zeer waardevolle fosfaat en eventuele resterende basen en sporenelementen, opgeslagen in humuslaag, strooisel of vegetatie worden hiermee uit het systeem verwijderd. Fosfaat (P) kan zonder kunstgrepen niet voldoende terugkomen, terwijl stikstof (N) via atmosferische depositie weer snel het systeem zal verrijken. Om een verzuringspiek te voorkomen is vaak vanwege de verwachte ammoniumpiek na plaggen bekalking nodig. Om de verstoorde N:P-ratio voor langere termijn te herstellen zijn recent experimenten met fosfaatbemesting gestart.

Langdurig jaarlijks maaien en afvoeren van schraalgraslanden zou voor vergelijkbare problemen met verstoorde N:P-ratio’s kunnen zorgen. Het is in ieder geval bekend dat de buffercapaciteit op den duur af kan nemen, mede met vervilting van de bodem tot gevolg. Indien verschraling van de bodem niet meer het enige doel is, kan de kundige inzet van periodieke schapenbegrazing verlies aan buffercapaciteit en gevolgen als vervilting tegengaan.

Ingrijpen op concurrentieverhoudingen

De vermestende effecten van stikstof zorgen voor een snellere groei van concurrentiekrachtige planten. Op de heide zijn dit vooral Pijpenstrootje en Bochtige smele. Deze soorten zorgen bij gebrek aan goed beheer doorgaans voor een vergrassing van de heide. Dit is vooral zichtbaar na een ineenstorting van een Struikhei-vegetatie, door ouderdom (op heides zonder variatie in leeftijd) of heidehaantjeplaag (op monotone heidevlaktes). Als in de jaren hierna niet begraasd zou worden is de kans groot dat jonge en kiemende Struik- en/of Dophei overwoekerd raken door sneller groeiende plantensoorten die profiteren van het versneld vrijkomen van voedingsstoffen uit de dode hei en de versnelde mineralisatie van de strooisellaag.

Hoe door middel van periodieke schapenbegrazing conurrentieverhoudingen kunnen worden beïnvloed ten behoeve van heide- of kruidenontwikkeling valt te lezen onder het ver-thema Vergrassing & Verruiging.

Effecten schapenmest en bodemprocessen

Soms wordt nog wel eens gedacht dat keutelende schapen op de heide of op graslanden bijdragen aan de vermestingsproblematiek. Niets is minder waar. Alle voedingstoffen die de schapen met de vegetatie wegvreten worden namelijk deels vastgelegd in biomassa (vlees), zal deels uitspoelen of vervluchtigen (ureum en ammoniak) of herverdeeld worden in het terrein (via keutels en urine) en dan op gegeven moment weer worden opgenomen door de vegetatie. Deze herverdeling zorgt bovendien voor een puntsgewijze mozaïek in verschillende voedselrijkdom van de bodem, waardoor er een differentiatie ontstaat in de vegetatieontwikkeling en een hogere biodiversiteit als resultaat. Bovendien komt via de mest fosfaat wel weer voor een belangrijk gedeelte terug in het systeem, wat zoals hierboven is uitgelegd gunstig uitpakt voor de N:P-ratio van plantenmateriaal.

Wel zal door de begrazing verschillende processen optreden die mede verband houden met het vallen van de mest. Tijdens het opengrazen van de vegetatie zal er meer zonlicht op de bodem en de strooisellaag kunnen vallen, en daarmee plaatselijk warmer worden. Samen met de mest en urine zal dit plaatselijk tot een snellere mineralisatie leiden waardoor de strooisellaag pleksgewijs wordt afgebroken (vergelijkbaar met een compostvat). Daarnaast draagt het verdichten van de bodem door de hoefdruk hieraan waarschijnlijk ook nog bij, wat met name op schapenpaadjes goed waarneembaar is. Dit heeft allemaal samen een differentiatie in de openheid van de vegetatie en de bodem en in dikte van de strooisellaag als gevolg, wat weer kiemingsmogelijkheden voor karakteristieke planten geeft (bijv. Klokjesgentiaan) en de diversiteit aan fauna ten goede komt.

De schraalste gronden zoals open stuifzanden willen beheerders vaak zo schraal mogelijk houden om verstuivingsprocessen in gang te houden. Om dan de successie vanaf de fase met Zandzegge en Buntgras te remmen en boomopslag te onderdrukken is het juist nuttig om deze vegetaties te begrazen. Om te voorkomen dat er netto meststoffen aangevoerd worden is het verstandig om de schaapskudde even te laten rennen als ze net op een relatief voedselrijkere plek zijn geweest. De schapen keutelen zich dan leeg en het verschralingseffect op de stuifzanden zal dan het grootst zijn.

 

[ onder constructie ]