Een initiatief van samenwerkende begrazingsbedrijven

Betrouwbare kennis over
schapenbegrazing in natuurbeheer

Vergrassing & Verruiging

Probleemsoorten

Veel heideterreinen in Nederland en omringende landen zijn vergrast als gevolg van de te hoge stikstofdepositie. Elk vegetatietype heeft zijn eigen typische vergrassingssoort: op de droge tot natte heides en heischrale graslanden zijn dit Bochtige smele en Pijpenstrootje en op de heide op Zuid-Limburgse kalkrijke hellingen (de kalkgraslanden) Gevinde kortsteel.

Op stuifzanden zijn Zandstruisgras en Zandzegge de soorten die de vegetatie kunnen overheersen. In de duinen komt daar nog Helm bij. Het vastleggen van de bodem past bij een natuurlijke successie, maar vergrassing en verruiging van de vegetatie wordt in hoge mate versterkt door de verhoogde stikstofdepositie en opstapeling van strooisel.

Op schraalgraslanden kan Gewoon struisgras domineren en is met name Gestreepte witbol een teken van vermesting. Op rijkere graslanden zijn, afhankelijk van bodemtype en -vochtigheid, Glanshaver, Grote vossestaart of Gestreepte witbol typische vergrassende soorten. Daarnaast behoren door verkeerd of onbestendig beheer ruigtekruiden als Grote brandnetel en Akkerdistel vaak tot de dominerende soorten.

Bij onvoldoende mate of inconsistent beheer kunnen vergrassing en verruiging karakteristieke minder concurrentiekrachtige soorten overheersen of zelfs uit een vegetatie verdrijven. Ook is bekend dat veel faunasoorten negatief worden beïnvloed door het vergrassen en het daarmee dichtgroeien van de vegetatie.

Begrazing als effectgerichte maatregel

Om weer biodiverse systemen met karakteristieke, minder concurrentiekrachtige, plantensoorten en typische fauna te behouden of terug te krijgen, is begrazing met een schaapskudde een logische keuze. Met een gescheperde kudde kan de begrazing optimaal gestuurd worden, waarbij de vergraste of verruigde plekken effectief aangepakt worden.

Als voor een korte periode intensief op een ongewenste vegetatie (vaak monotoon in compositie) begraasd wordt, spreekt men van drukbegrazing. Daarbij kan de herder flexinetten inzetten om de schapen makkelijker op een bepaald deelperceel te houden. Tijdens dit pleksgewijze herstelbeheer met deze intensieve vorm van begrazing kunnen sommige diersoorten enige vorm van verstoring ervaren. Dit is slechts van korte duur en de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied zal voor veel soorten zeker op de langere termijn goed uitpakken. Zodra de dominantie van bepaalde soorten is doorbroken en een ontwikkeling in de vegetatie in gang is gezet, kan de druk worden teruggebracht. Om er zorg voor te dragen dat de concurrentieverhoudingen tussen de gewenste karakteristieke flora en eveneens kiemende grassen in balans blijven is een extensief vervolgbeheer nodig (onderhoudsbegrazing).

Casus vergraste heide

In vergraste heideterreinen met monotone vegetaties van enkel Pijpenstrootje kan op deze manier van begrazen dit gras het eerste jaar al tot op de pol worden kaalgevreten. Tevens vinden processen plaats als de pleksgewijze mineralisatie van de strooisellaag door verhoogde lichtinval op de bodem, invloed van keutels en urine en door vertrapping en verdichting van strooisel en bodem. Dit zorgt voor een grote differentiatie van abiotische eigenschappen op een kleine schaal. Al binnen enkele jaren kan er weer Struikhei en andere karakteristieke heideflora ontkiemen. Bij blijvende extensievere begrazing profiteren deze soorten van vrijkomende voedingsstoffen en kan er (weer) een soortenrijke en structuurijke heidevegetatie ontstaan.

Beïnvloeden van concurrentieverhoudingen

Gestuurde begrazing speelt dus in op de concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten. Het is daarbij van belang om op het juiste moment te begrazen. De meeste grassen beginnen al vroeg in het voorjaar te groeien, waardoor vanaf 1 april op graslanden vaak al veel biomassa weggevreten kan worden (het voorjaar van 2013 was dat betreft een uitzondering). Dit komt de ontwikkeling van kruiden ten goede.

Pijpenstrootje wijkt qua ontwikkeling af. Dit gras ontwikkelt pas in de loop van de maand mei nieuwe scheuten en is dan dus pas begraasbaar. Een eerste begrazingsronde op deze soort is dan ook het meeste effectief aan het eind van de lente. Als Pijpenstrootje de eerste ronde goed begraasd is, wordt door schapen in de (na)zomer graag de nagroei en verse halmen (met zaden!) gevreten, waarbij zelfs de bloeiende Struikhei onaangetast blijft, maar jonge boomopslag wel graag wordt aangevreten.

Op graslanden wordt na een eerste vroege en snelle voorjaarsronde in de zomer op de verse nagroei begraasd. Bij de ontwikkeling van kruidenrijke grasvegetaties wordt uiteraard rekening gehouden met de bloei (nectarplanten!) en het zaad kunnen zetten van kruidachtige planten. Heel schrale en kruidenrijke graslanden kunnen deze ronde zelfs worden overgeslagen. Een derde ronde in de herfst zorgt voor een open vegetatie waarbij het neerslaan van de vegetatie in de winter en daarmee vervilting van de bodem wordt voorkomen. Er blijft echter genoeg structuur in de vorm van uitgebloeide planten en holle stengels over als voer voor foeragerende vogels en overwinterende insecten.

Schapendieet

Net als mensen hebben schapen behoefte aan een gebalanceerd dieet (‘de schijf van vijf’). Zo eet elk schaap naast mals gras ook graag vezelrijk voedsel als stuggere plantendelen, boomblaadjes en kruiden. Bovendien verschilt het per seizoen wat de voorkeur heeft. Zo worden brandnetels graag later in het seizoen gegeten als ze ouder en vezeliger zijn.

Problemen met dominerende soorten? If you can’t beat them, eat them!

De op het eerste gezicht oneetbare en invasieve soorten Reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop kunnen ook effectief worden bestreden door middel van schapenbegrazing. Door herhaaldelijk in het jaar op de verse uitlopers te begrazen kunnen deze probleemsoorten net als boomopslag binnen enkele jaren worden teruggedrongen en mogelijk zelfs worden uitgeput (zie de strategie bij ‘Verbossing‘).