Een initiatief van samenwerkende begrazingsbedrijven

Betrouwbare kennis over
schapenbegrazing in natuurbeheer

Verbossing

Natuurlijk fenomeen

In open halfnatuurlijke systemen als heide en graslanden is boomopslag een natuurlijk proces  in de successie naar bos. Aan bosranden en rond zaadproducerende bomen of boomgroepjes zal als vanzelfsprekend een grotere opslag in de directe omgeving optreden. Als er bovendien in het (nabije) verleden in de bodem gerommeld is (bijvoorbeeld door te plaggen), dan zijn de effecten daarvan soms nog decennialang te zien van telkens opnieuw kiemende boompjes. Krijgt de bodem echter voor langere tijd rust, dan daalt de opslag ook naar een laag niveau. Zo kan een overmaat aan bosopslag dus worden voorkomen. Als bosopslag op een beperkt niveau optreedt, is periodieke begrazing bij uitstek geschikt om de opslag terug te dringen.

Uitputting door periodieke begrazing

Doorgaans worden blad, jonge twijgen en dunne bast van alle loofbomen graag door schapen gegeten. Het aandeel in het totale dieet kan wel tot 25% oplopen. Schapen worden door hun grazingsgedrag dan ook ingedeeld bij de ‘intermediate feeders’. Herkauwers in deze categorie stemmen hun eetgedrag af op de situatie ter plekke en het seizoen en hebben een variabel menu van (schijn)grassen en delen van boom en struik. Als men de juiste strategie volgt, kunnen boompjes in de vegetatie tot bedekkingen rond de 5% met een rondtrekkende schaapskudde worden uitgeput.

De strategie in het kort:

  • Inleidend beheer van afzetten van de boompjes in het vroege voorjaar.
  • Begrazing van de uitlopende stobben na 6-8 weken als component van de begraasbare vegetatie.
  • Herhaaldelijk uitlopers begrazen (in totaal 3-4 keer per jaar)
  • Uitputting stobben binnen enkele jaren.

Uitzonderingen/aandachtspunten:

  • Bosopslag > 5% bedekking van de vegetatie: vaak is aanvullend beheer nodig met bosmaaier en/of takkenschaar door herder of terreinbeheerder tot een lager niveau is bereikt.
  • Op schrale ijle vegetaties, bijvoorbeeld op stuifzand, zal uitgaande van de productie van de vegetatie maar 1-2 keer begraasd hoeven te worden. Ook zal per ronde sneller over de vegetatie worden gegraasd. Er zal dan < 5% bosopslag aangepakt kunnen worden.
  • Op rijkere gronden waar de biomassaproductie hoog is, zal > 5% boomopslag gegeten kunnen worden (doordat er langer op hetzelfde deelperceel begraasd wordt en er meer rondes nodig zijn).
  • Berk en Els zijn geen favoriete soorten van schapen maar worden bij gebrek aan malsere boomsoorten goed meebegraasd, behoeven vaker aanvullend beheer.
  • Amerikaanse vogelkers is ondanks de giftigheid (cyanide) erg gewild, maar kunnen schapen niet teveel op de nuchtere maag eten en moet langzaam in het dieet worden opgebouwd.
  • Naaldbomen worden weinig in het zomerseizoen gegeten. Als de vorst erover is gegaan en zetmeel in de naalden in suiker is omgezet, zijn deze soorten wel goed te begrazen. Dit pleit voor begrazing tot laat in de herfst of voor een (lichte) winterbegrazing.

Bosranden en open bos

Door juist ook bosranden te begrazen kunnen geleidelijke overgangen tussen lage vegetaties en opgaande bosvegetaties ontstaan. Zo is het mogelijk brede zoomvegetaties aan de randen te creëren en mantelvegetaties juist in het bos. Terreinbeheerders kunnen dit het beste combineren met het dunnen van bosranden of het kappen van lobben bos of een combinatie van beiden. Zo worden harde grenzen omgevormd naar geleidelijke langgerekte overgangen, wat voor veel faunasoorten als Heivlinder en Nachtzwaluw, maar ook voor typische flora als bosbes, positief uit zal pakken.

Verjonging en fauna

Aanbevolen wordt om zeker in grote open gebieden niet alle jonge boompjes af te zetten en te begrazen. Door namelijk deels solitaire bomen of boomgroepjes te sparen wordt het broedbiotoop voor sommige grondbroeders vergroot (bijvoorbeeld voor de Nachtzwaluw) en vinden reptielen en insecten schaduwplekken in de zomerhitte. Behangersbijen profiteren weer van het jonge blad van berken om hun nestgangen mee te bekleden.

Bomen en struiken die niet als probleemsoorten worden gezien, kunnen tijdens het begrazen worden gespaard door sturing van de herder of door ze tijdelijk uit te rasteren. Jonge eikjes bijvoorbeeld zijn essentieel voor de Bruine eikenpage om zijn eitjes op af te zetten. Op de hogere zandgronden is Kruipwilg in het voorjaar voor veel insecten een belangrijke drachtplant.

Achtergrondinformatie

[volgt nog]