Een initiatief van samenwerkende begrazingsbedrijven

Betrouwbare kennis over
schapenbegrazing in natuurbeheer

Veelgestelde vragen

Deze pagina zal snel gevuld worden met alle vragen die u na het bekijken van deze site nog heeft. Stel ze via het formulier onder het kopje ‘Contact’.

Bijzondere flora | Grondbroeders | Insecten | Reptielen | Schapen | Verschraling | Literatuurreferenties

 

Bijzondere flora

 

> Is het mogelijk om vochtige heides of heischrale graslanden waar Klokjesgentianen voorkomen te begrazen?

Vegetaties met zeldzame en beschermde plantensoorten als Klokjesgentianen kunnen goed met een schaapskudde beheerd worden. Bekende groeiplaatsen kunnen makkelijk in de groeiperiode ontzien worden: tussen begin juni en september wordt daar niet met de kudde gehoed of deze plekken worden even met een fleixinetje uitgerasterd. Daarmee wordt ook de kwetsbare periode van het Gentiaanblauwtje omzeilt. Vaak is het wel wenselijk om de betreffende vegetatie te begrazen: vergrassing met Pijpenstrootje kan goed worden aangepakt en de opengegraasde vegetatie en open bodem op schapenpaadjes biedt nieuwe kiemingsplaatsen voor deze pioniersoort.

> Is het mogelijk om vochtige heides waar Beenbreek groeit te begrazen?

Vegetaties met zeldzame en beschermde plantensoorten als Beenbreek kunnen goed met een schaapskudde beheerd worden. Feitelijk kan eenzelfde werkwijze als bij Klokjesgentianen worden gehanteerd (zie het vorige item).

Naar boven

 

Grondbroeders

 

> Hoe wordt omgegaan met grondbroedende vogels tijdens de begrazing?

Tijdens het broedseizoen van de meeste vogels (half maart-half juli) wordt er geen drukbegrazing toegepast op terreinen waar bodembroeders (kunnen) zitten. Slechts bij uitzonderlijke wens van de terreinbeheerder wordt hiervan in het kader van herstelbeheer afgeweken. Door rustig hoedend of ruime vakken binnen flexinetten te laten begrazen is de kans klein dat er een nest vertrapt wordt: bij deze vorm van extensieve begrazing wordt namelijk niet overal gegraasd en al helemaal niet overal gelopen. Bovendien banjert een schaap niet zomaar overal over- of doorheen.

> Hoe wordt omgegaan met zeldzame en beschermde vogelsoorten als de Nachtzwaluw tijdens de begrazing?

Nachtzwaluwen zijn uitzonderlijke bodembroeders, in die zin dat hun broedseizoen iets verschoven ligt ten op zichte van de meeste andere grondbroeders, zij moeten immers dan ook in het voorjaar uit Afrika komen. De Nachtzwaluw begint met broeden half mei, waarbij 2 nesten per jaar kunnen worden grootgebracht. De laatste jongen zijn dan half augustus vliegvlug. Bij kleine (kwetsbare) populaties kan er eventueel voor gekozen worden om in deze periode het betreffende terrein of delen hiervan niet te begrazen. Om echter het leefgebied voor deze grondbroeder geschikt te houden wordt juist gefaseerde of periodieke begrazing aanbevolen. Hiermee kan de afwisseling in vegetatiestructuur toe nemen: meer structuur in Struikhei, bestrijding van vergrassing en verstruweling, maar met behoud van solitaire bomen en boomgroepen. Met een rondtrekkende schaapskudde kunnen bovendien ook kleine heidegebieden beheerd worden (Kleunen et al. 2005, Wallis de Vries et al., 2013, Vogels et al., 2011).

Naar boven

 

Insecten

 

> Is het mogelijk om vochtige heides of heischrale graslanden waar Gentiaanblauwtjes voorkomen te begrazen?

Vegetaties met Klokjesgentianen waarop het Gentiaanblauwtje eitjes afzet kunnen goed met een schaapskudde beheerd worden. Deze plekken kunnen makkelijk in de kwetsbare periode van het Gentiaanblauwtje ontzien worden: tussen begin juni (ontwikkeling Klokjesgentiaan – eiafzet op knoppen vindt later plaats) en september (wanneer Klokjesgentiaan zaad heeft afgerijpt) wordt daar niet met de kudde gehoed of deze plekken worden even met een fleixinetje uitgerasterd.

Vaak is het wel wenselijk om de betreffende vegetatie te begrazen: vergrassing met Pijpenstrootje kan goed worden aangepakt en de opengegraasde vegetatie en kale iets aangerijkte bodem op schapenpaadjes biedt nieuwe kiemingsplaatsen voor Klokjesgentianen wat voor de noodzakelijke verjonging van deze waardplant vereist is (LNV, 2003).

Tevens moet het leefgebied van waardmieren geschikt blijven of weer worden: uit onderzoek is gebleken dat nesten van knoopmieren verscholen liggen in de vegetatie, vooral in compacte, droge pollen Pijpenstrootje met name in rijk gestructureerde vegetaties met open grond. In jonge geplagde delen of in vergraste vegetaties zullen de mieren dan ook weinig worden aangetroffen (LNV, 2003).

Klokjesgentianen en mierennesten moeten bovendien dicht bij elkaar liggen: de mieren foerageren hoofdzakelijk binnen een afstand van 2-4 m van het nest. Het leefgebied moet dus op microschaal kloppen voor kansen voor het Gentiaanblauwtje. Periodieke begrazing zorgt daarbij voor het selectief terugzetten van de vegetatiesuccessie en het bestrijden van opslag (LNV, 2003).  Een gescheperde schaapskudde kan dus een sleutelrol spelen: het zorgt voor mozaïeken op de schaal van een vierkante meter en zorgt voor verspreiding en verjonging van Klokjesgentianen!

Naar boven

 

Reptielen

 

> Hebben Levenbarende hagedissen te lijden onder begrazing?

Levendbarende hagedissen profiteren van gescheperde schapenbegrazing in heideterreinen vanwege:

– herstel en instandhouding structuurrijke oude heidebegroeingen: er ontstaan mozaïekpatronen van hoger opgaande structuren tot kale open bodems

– verbossing wordt tegengaan: dit is een van de grootste bedreigingen voor het voortbestaan van populaties

– minimale verstoring: een kudde graast hooguit enkele dagen op hetzelfde stuk hei, bij periodieke begrazing zijn dit 2-3 momenten per jaar

– maximale sturing: wanneer een vegetatie voldoende begraasd is, wordt weer doorgetrokken met de kudde, schapen hebben bovendien zelf snel de neiging steeds de meest malse vegetatie op te gaan zoeken, overbegrazing wordt daarmee voorkomen.

Levendbarende hagedissen komen in tegenstelling tot Zandhagedissen zowel op droge heideterreinen als op vochtige heides en langs venoevers voor. Het optimum van het leefgbied ligt in heideachtige vochtige randen van vennen en in wat oudere maar altijd structuurrijke heidebegroeiingen. Het habitat wordt gekenmerkt door een mozaïek van laagblijvende struikjes, kale open plekken en geïsoleerde struiken, bomen en bosjes (Strijbosch, 2001).

Versnippering van het leefgebied en verbossing worden als de grootste bedreigingen gezien. Waarbij grootschalige beheeringrepen funest kunnen zijn voor kleine populaties zonder uitwijkmogelijkheden (Strijbosch, 2001). Begrazing kan, indien verkeerd ingezet, daarmee ook negatief werken op het voorkomen van Levenbarende hagedissen. Onderzoek naar populaties Levendbarende hagedissen in de Overasselte en Hatertse Vennen (Holzhauer & Onnes, 2012) in opdracht van Stichting RAVON laat dit ook zien. Deze studie heeft uitgewezen dat seizoensbegrazing met runderen in een vast raster kan leiden tot een te open vegetatiestructuur waardoor geschikt habitat verloren gaat, met lage dichtheden Levendbarende hagedissen als gevolg. De onbegraasde referenties waren delen die door een gescheperde schaapskudde 2 keer per jaar voor enkele dagen licht werden begraasd waardoor op natte en droge delen dichtheden van respectievelijk 70 en 54 exemplaren per hectare werden vastgesteld.

> Is het mogelijk om heides waar de Gladde slang voorkomt te begrazen?

De kenmerken van het habitat van de Gladde slang zijn: een open terrein met voldoende zoninstraling (om op te warmen), een vergraafbare bodem (om in te verschuilen), dichte en gevarieerde vegetatiestructuur, hellingen en steilkantjes met een geaccidenteerde bodem en mogelijk verspreid staande bomen en struiken.

Om bestaand leefgebied te handhaven, gebieden met elkaar te verbinden en andere terreinen geschikt te maken komt het met beheer met een schaapskudde aan op maatwerk: ontwikkeling van structuurrijke overgangen heide – bos, aanpak van vergrassing met behoud van oude delen Pijpenstrootje en Bochtige smele, het gefaseerd openhouden van (liefst brede) bermen (corridors) en kleine heideterreintjes in het bos (“stepping stones“).

Daarnaast is het verstandig om speciaal voor Gladde slangen aangelegde plekken (bijv. reptielenkuilen of slangenbulten) in de tijd rond de geboorte van jonge slangen (augustus/september) deze ruim te ontzien met de begrazing of even uit te rasteren met een tijdelijk raster.

Naar boven

 

Schapen

 

> Waar verblijft de kudde ’s nachts?

De kudde staat in flexibele tijdelijke rasters, dit zijn netten die voorzien zijn van schrikdraad. Deze houden schapen in een vakje en wolven en ander wild erbuiten. Meestal worden deze nachtvakjes gekozen op plekken waar wat meer graasdruk gewenst is.

> Is schrikdraad gevaarlijk voor mijn hond?

Schrikdraad is onprettig voor uw hond, de naam zegt het al. De hond zal deze onprettige ervaring koppelen aan schapen: schapen zijn onprettig! Uw hond zal voortaan met een grote boog om de kudde heenlopen.

> Q-koorts?

De schapen worden hier jaarlijks tegen ingeënt.

> Waar slaapt de herder?

Deze vraag wordt heel vaak aan de herder gesteld. Nee, in dit geval heeft hij of zij geen nomadenbestaan en slaapt de herder in zijn/haar eigen huis.

> Het eten van mest door honden: een eigenaardige gewoonte!

Sommige honden lijken schapenmest en paardenvijgen een ware delicatesse te vinden. Een onsmakelijk gedrag, maar is het nu schadelijk voor de hond of vervelend voor de eigenaar?

Honden worden aangetrokken door de lucht van mest en zullen af en toe iets van de mest opeten. Elke hondenbezitter weet dat een pup de neiging heeft haar eigen ontlasting of die van een andere hond op te eten. Het eten van ontlasting van de pups door de teef is wel als normaal gedrag te beschouwen. Konijnenkeutels worden uit het gras opgevist en paardevijgen opgeschrokt. Als deze nare, onsmakelijke gewoonte eenmaal is ontstaan, is het vrij lastig om dit gedrag weer af te leren.

Sommige rassen ontwikkelen het eten van ontlasting of “coprofagie” eerder dan andere rassen. Enkele voorbeelden hiervan zijn de Beauceron, jachthonden en poolhonden. Maar ook door verveling en stress kan het eten van ontlasting een bezigheid worden. In een kennel wordt dit gedrag dan al snel gekopieerd door andere honden.

Het voeren van honden met onvoldoende verteerbaar voer, overvoeding of een tekort aan verteringsenzymen kan aanleiding geven tot overmatige ontwikkeling van bacteriën in de dikke darm van de hond. Onverteerd eiwit of zetmeel kan dan worden uitgescheiden in de hondenontlasting wat dan nog aantrekkelijker ruikt. Dit is ook het geval bij konijnenkeutels, schapenmest en paardenvijgen: doordat deze planteneters een bijzonder darmstelsel hebben, zitten er grote hoeveelheden eiwitten in hun mest die het tot een aantrekkelijk voedsel maken voor honden.

> Kan mijn hond ziek worden door het eten van schapenmest?

Vaak worden klachten bij de hond na het eten van ontlasting daar aan verbonden: het is de eigenaren opgevallen en mensen vinden het ronduit vies. Maar is het ook schadelijk?

Vaak is er angst voor een infectie met eventuele wormen in de mest. Het is echter dat de schapenwormen de hond niet kunnen infecteren: honden hebben hun eigen wormsoorten en er is geen overeenkomst met de schapenwormen. Dat honden de wormen van de schapen over zouden kunnen nemen door het eten van mest is dus niet het geval.

Honden onderling kunnen elkaar wél besmetten met “honden”wormen, door coprofagie maar meer nog door wormstadia in de eigen omgeving.

Ook wordt wel verwezen naar de schadelijkheid van ontwormmiddelen die mogelijk in de mest achterblijven na het behandelen van de schapen tegen maag-darm parasieten. Sommige schapenhonden zoals de (border) collies, kelpies en herdershonden kunnen overgevoelig zijn voor bepaalde geneesmiddelen waaronder de ivermectines, in de schapenhouderij een bekend middel. Deze middelen worden echter bij schaapskuddes in natuurgebieden nauwelijks gebruikt. De schaapskuddes in natuurbegrazing lopen, door de enorme grote oppervlakten die begraasd worden, geen of nauwelijks worminfecties op en hoeven daarom niet ontwormd te worden. Daarbij zijn steeds meer parasieten ongevoelig geworden voor ivermectine. Het toedienen ervan ter bestrijding van worminfecties is dus vaak niet effectief. Bovendien zijn de ivermectines en andere ontwormmiddelen schadelijk voor de ontwikkeling van de natuur, waar juist het professionele begrazingsbedrijf voor ingezet wordt. De kans dat deze middelen aanwezig zijn in schapenmest van schapen in publieksterreinen en dus ziekte zouden kunnen veroorzaken bij deze gevoelige hondenrassen is dus zeer klein.

Wordt een hond ziek dan is het raadzaam de eigen dierenarts te consulteren om achter de juiste oorzaak van de problemen te komen. Er kan niet verwezen worden naar een oorzaak zonder correcte diagnose.

 

Verschraling

 

> Worden voedselarme bodems niet door schapen bemest?

Netto verdwijnen er door begrazing altijd voedingsstoffen uit het systeem. De schapen grazen namelijk de aanwezige vegetatie met de daarin opgeslagen voedingsstoffen weg en leggen dit deels vast in biomassa (vlees). Wat er aan de voorkant ingaat, komt er deels aan de achterkant weer uit als keutels en urine. Binnen het terrein vindt een puntsgewijze herverdeling van meststoffen plaats: de plekken waar de keutels en de urine vallen worden plaatselijk licht aangerijkt. Hierdoor zullen er zowel verschillen in mineralisatie van de strooisellaag plaatsvinden als in mate van plantengroei optreden, wat onder andere resulteert in differentiatie in structuur zowel onder als boven maaiveld. Ook vergroot dit de kansen voor die soorten die het moeten hebben van die lichte aanrijking: Klokjesgentianen bijvoorbeeld (LNV, 2003).

Het is wel aan te raden voedselarme bodemtypes (bijvoorbeeld stuifzanden met buntgrasvegetaties) los van rijkere bodems (bijvoorbeeld beekdalen) te begrazen, tenzij juist een wat rijkere vegetatie als doel wordt gesteld.  Zo valt er met de herverdeling van voedingsstoffen binnen een systeem te spelen: heideakkers kunnen bemest worden door daar enkele weken een nachtkraal op te zetten en overdag op stuifzandheides te hoeden. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is dit geheel verantwoord.

Literatuurreferenties

 

  • LNV (2003) Beschermingsplan gentiaanblauwtje 2003-2007. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Wageningen.
  • Kleunen A. van, Sierdsema H., van der Weide M., van Turnhout C. & Vogel R. (2005). Soortbeschermingsplan Nachtzwaluw Noord-Brabant. SOVON-onderzoeksrapport 2005/09. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
  • Wallis de Vries, M.F., Noordijk, J., Sierdsema, H, Zollinger, R, Smit, J.T. & Nijssen, M. (2013) Begrazing in Brabantse heidegebieden – Effecten op de fauna. Rapport VS2012.017, De Vlinderstichting, Wageningen / EIS-Nederland, Leiden / SOVON Vogelonderzoek, Stichting RAVON en Stichting Bargerveen, Nijmegen.
  • Joost Vogels, Arnold van den Burg, Eva Remke & Henk Siepel (2011) Effectgerichte maatregelen voor het herstel en beheer van faunagemeenschappen van heideterreinen. – evaluatie en ontwerp van bestaande en nieuwe herstelmaatregelen. Rapport nr. 2011/OBN152-DZ. DKI-EL&I, Den Haag. 238 pag.
  • Holzhauer, J. & C.E. Onnes (2012) Het mysterie van de levendbarende hagedis. Onderzoek naar de populatie levendbarende hagedissen in de Overasseltse en Hatertse Vennen. Stichting RAVON, Nijmegen.
  • Strijbosch, H. (2001) Het belang van het heidelandschap voor de herpetofauna. De Levende Natuur 102 (4): 156-158.

 

Naar boven