Een initiatief van samenwerkende begrazingsbedrijven

Betrouwbare kennis over
schapenbegrazing in natuurbeheer

Duinen

Vergrassing en verstruweling

Beheerders van de duinen aan de Nederlandse kust hebben sinds enkele decennia te kampen met verruiging door hoge grassen en struweel, ten gevolge van verhoogde atmosferische stikstofdepositie (N-depositie) en de achteruitgang van konijnenpopulates. Grote oppervlaktes duingrasland in de Grijze duinen en Duinheiden met Kraaiheide en Struikheide (allemaal prioritaire Habitattypes) zijn hierdoor in oppervlakte en kwaliteit afgenomen, met als gevolg een sterk verlies aan diversiteit van flora en fauna.

Gescheperde schapenbegrazing kan als beheermaatregel een sleutelfactor vormen in het sturen van een gewenste vegetatieontwikkeling. Een groot voordeel van een gehoede schaapskudde ten opzichte van integrale begrazingseenheden is de hoge mate van controle en sturing in graasdruk en timing. Hierbij zijn een herder met voldoende ecologische kennis en een gedegen begrazingsplan vereist.

Vergrassing Noordhollandse duinenVerstruweling met Duindoorn

Waddendistrict en Renodunaal district

De herkomst van het moedermateriaal van de duinen bepaalt het kalk- en ijzergehalte van het zand en daarmee voor een belangrijk deel de gevoeligheid voor N-depositie en daarmee gepaarde vergrassing. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen noordelijk Nederland met kalkarm zand, het Waddendistrict, en zuidwestelijk Nederland met kalkrijk zand aangevoerd door de grote rivieren, het Renodunaal district. De grens ligt rond het Noord-Hollandse Bergen. Binnen het Renodunaal district is er een zonering in duinen te onderscheiden: kalkrijke voorduinen, ondiep ontkalkte middenduinen en dieper ontkalkte achterduinen.

Grofweg geldt hoe kalkrijker, hoe beter fosfaat (P) gebonden wordt, hoe kleiner het effect van verhoogde N-depositie is. Als namelijk zowel P als N in voldoende mate (vrij) aanwezig is (geen limitatie), wordt de plantengroei niet meer door deze voedingstoffen geremd. Dit resulteert in dominantie van concurrentiekrachtige plantensoorten ofwel excessieve grasgroei (vergrassing) en verstruweling. Dit heeft geleid tot verlies aan karakteristieke duingraslandsoorten, maar ook tot veranderingen in bijvoorbeeld structuur en microklimaat, wat weer negatieve gevolgen voor faunagemeenschappen heeft.

Voorduinen Meijendel Excursie Meijendel beheerders en onderzoekers

Effecten van begrazing op vegetatie en fauna

Recent onderzoek (Nijssen et al, 2014) laat zien dat in het meer vergraste Waddendistrict al langer met grote grazers en schaapskuddes wordt begraasd en met hogere graasdruk dan in het Renodunaal district. In beide districten leidt begrazing tot afname van verruiging en strooisel en draagt bij tot instandhouding van habitattypen.

Door het openen van de vegetatie is er positieve reactie van het Konijn te zien, wat samenhangt met afname van ruigtes en struweel. Begrazing lijkt daarmee geschikt voor het herstel van konijnenpopulaties, nodig voor de kleinschalige dynamiek van vers (kalk)rijk zand wat naar boven wordt gegraven. Een hoge graasdruk in open duinen laat een positieve trend voor broedvogels als Scholekster, Tapuit en Veldleeuwerik zien.

De lagere vegetatiestructuren in duingraslanden leiden tot een warmer en gevarieerder microklimaat. Tevens neemt de voedselkwaliteit van grassen door begrazing licht toe. Ook werden er over het algemeen positieve effecten op karakteristieke diergemeenschappen gevonden, wat deels door bovenstaande effecten kan worden verklaard. Benadrukt wordt wel dat optimalisatie van begrazingsbeheer nodig is, bijvoorbeeld voor minder mobiele insectenfauna en kwetsbare grondbroeders.

 

Finetuning begrazing met een schaapskudde

Het variƫren van de graasdruk in tijd en ruimte, nodig voor de optimalisatie van de beheermaatregel begrazing, is bij uitstek met een gescheperde kudde te bereiken. Door het actief sturen van de begrazing kan er een hoge mate van variatie in structuur en samenstelling van de vegetatie ontstaan.

Herstelbeheer

Doordat de herder langer met zijn/haar kudde op eenzelfde stuk verruigd duingrasland blijft grazen, wordt daarmee de graasdruk per hectare groter. Dit kan ook bewerkstelligd worden door bijvoorbeeld 2 hectare voor een weekend af te zetten met flexinetten om een vergrast deel stevig te begrazen. Door vroeg in het voorjaar een eerste begrazingsronde te maken worden snelgroeiende grassen het hardst geraakt en worden bloeiende kruiden zoveel mogelijk gespaard, waarvoor bovendien meer kiemings- en ontwikkelruimte in de opengegraasde vegetatie wordt gecreƫerd. Een tweede begrazingsronde dat jaar kan na de grootste bloei van de zomerbloeiers worden gepland.

Bij een sterk verruigde uitgangssituatie valt het aan te raden drie keer per jaar de vegetatie hard af te grazen (drukbegrazing). Na een eerste vroege ronde in april/mei kan met een tweede en derde ronde de verse nagroei van grassen worden weggegraasd, waarmee veel biomassa (en daarmee N en P) zowel bovengronds als uit de strooisellaag (door mineralisatieprocessen) uit het systeem wordt verwijderd. Binnen enkele jaren is de graasdruk en frequentie af te bouwen, waarmee karakteristieke flora en fauna zich weer kunnen ontwikkelen. Verspreiding van zaden en kleine fauna door een rondtrekkende kudde die ook soortenrijkere vegetaties begraasd kan daarbij helpen.

Aanpak Rimpelroos, Duindoorn en Amerikaanse vogelkers

Deze strategie van periodieke drukbegrazing is ook te volgen in de aanpak van ongewenst struweel (Rimpelroos en Duindoorn) of bosopslag (Amerikaanse vogelkers). Na eenmalig afzetten (of eventueel branden) van deze houtige gewassen kan met nachtvakken (oppervlaktes van 0,2,- 0,5 ha omringd met flexinetten) heel gericht jonge uitlopers keer op keer begraasd worden. Staan ze meer verspreid dan is het al hoedend ook goed aan te pakken, waar nodig aanvullend door de herder met takkenschaar en bosmaaier.

Kleine grazers

Het Konijn krijgt hiermee ook weer meer geschikt habitat, want meer lagere en open vegetaties, naast een verbetering van een jaarrond voedselaanbod van malsere grassen en kruiden. De Tapuit zal op een gegeven moment hier ook van profiteren vanwege de afhankelijkheid van oude verlaten konijnenholen om in te broeden, maar ook een verbeterde voedselaanbod om de kuikens te voeren (meer variatie in vegetatie en bloeiende kruiden betekent meer insecten).

Kleinschalige variatie

Juist door het enigszins onvoorspelbare karakter van een gehoede grazende kudde zullen er altijd delen een jaar onbetreden en onbegraasd blijven. Met een afgesproken graasdruk voor onderhoudsbegrazing zal er zeker geen egaal afgegraasd beeld ontstaan. Zo kan er veel variatie optreden in vegetatiestructuur, maar ook in soortensamenstelling, op mesoschaal en zelfs op microschaal. Dit is gunstig voor insectenfauna die een bijvoorbeeld een meerjarige ontwikkeling doormaken in de strooisellaag of afhankelijk zijn van een hoge vegetatie met een koel en constant micoklimaat.

Mierenkoepel Noordhollandse duinen Kleine vuurvlinder, De Borkeld

Kwetsbare fauna en flora

Tijdens het broedseizoen kunnen die delen met veel grondbroedende vogels licht begraasd worden waarmee verstoring minimaal blijft maar de eerst opkomende grassen wel aangepakt. Typisch genoeg laten verruigde terreindelen vaak lagere broedgevallen zien. Door het seizoen kan de herder bloeiende vegetaties ontzien door die delen simpelweg langs te lopen of door de inzet van zijn/haar hond, of in een weekendvak door een deel uit te rasteren met een flexinetje. Zo kunnen ook smakelijke bremstruwelen of Vuilboom worden gespaard.

Rendiermossen Noordhollandse duinen Aardbeispinazie in Meijendel

Schapenkeutels

Terwijl N-depositie juist nivellerende effecten heeft,werken schapenkeutels de heterogeniteit in de hand: op de ene plek valt meer dan op de andere. De mest zorgt daarmee pleksgewijs voor een lichte aanrijking, heeft een licht bufferende werking op de bodem en biedt die iets voedselrijkere omstandigheden waar diverse (ruigte)kruiden het van moeten hebben. Vlindersoorten als dikkopjes en het Oranjetipje profiteren daarvan.

Kleinschalige verstuiving

Net als op de droge heides op de hogere zandgronden als in hellingbossen in het mergelland is kleinschalige dynamiek essentieel voor het behoud van karakteristieke en tegenwoordig zeldzame soorten. Van oudsher werd daar in de bodem gerommeld, door mensenhanden, door dierengegraaf of fysische processen. Zo ook in de kustduinen. Daar zorgt kleinschalige dynamiek voor het ontstaan en in stand houden van stuifkuilen. Deze dynamiek is een noodzaak voor het tegengaan van verouderingsprocessen door verzuring (kalkinput), het faciliteren van pioniersoorten met kaal zand en speelt een sleutelrol in het behouden van Grijze duinen. Naast het graven door konijnen en misschien zelfs mieren speelt betreding door schapen een rol. Daarnaast kunnen stuifkuilen langer in stand worden gehouden door begrazing en daarmee de successie en dichtgroeien met grassen te vertragen.

Stuifkuil in Meijendel

 

Achtergrondinformatie

 

 

Video’s